learn flash photography techniques

Inhoudsopgave

Ieder hoofdstuk bevat stap-voor-stap oefeningen

    INLEIDING

    1. FLITSEN IN DE TTL MODUS

  • 1.1 Flitsen in TTL
  • 1.2 Het scherpstelpunt en de flitsafstand
  • 1.3 De minimale en maximale flitsafstand
  • 1.4 De flitsafstand veranderen met het diafragma
  • 1.5 De flitsafstand veranderen met de ISO waarde
  • 1.6 De flitsafstand veranderen met het brandpuntsafstand
  • 1.7 Het maximale flitsbereik in groothoek stand
  • 1.8 Het effect van gering flitslicht
  • 1.9 De diffusorkap
  • 1.10 De stuiterkaart
  • 1.11 Is het noodzakelijk om de accessoires te gebruiken?

  • 2. INDIRECT FLITSEN

  • 2.1 Indirect flitsen
  • 2.2 Het punt van de reflectie
  • 2.3 De flitsafstand
  • 2.4 Het soort reflecterende oppervlak

  • 3. BELICHTINGSCOMPENSATIE

  • 3.1 Lichtreflectie vertaalt naar een gemiddelde belichting
  • 3.2 De flitsintensiteit aanpassen
  • 3.3 Compensatie van de flitssterkte

  • 4. DE MANUELE FLITSMODUS

  • 4.1 De flitsintensiteit en de afstand
  • 4.2 Het aanpassen van de flitsafstand
  • 4.3 Wanneer flitsen in de manuele flitsmodus?

  • 5. FLITSSYNCHRONISATIETIJD

  • 5.1 Normale flitssynchronisatietijden
  • 5.2 Flitsen met ultra snelle sluitertijd

  • 6. FLITSLICHT EN AANWEZIG LICHT

  • 6.1 Flitsfoto's bestaan uit twee lichtbronnen
  • 6.2 Invulflitsen
  • 6.3 Belichtingscompensatie van het aanwezige licht
  • 6.4 High speed flitssynchronisatie

  • 7. FLITSEN MET EEN TRAGE SYNCHRONISATIETIJD

  • 7.1 Flitsen met een trage synchronisatietijd
  • 7.2 Flitsen op het eerste of tweede gordijn
  • 7.3 De camera meetrekken tijdens het flitsen

  • 8. OFF-CAMERA FLITSEN

  • 8.1 Off-camera flitsen
  • 8.2 Met een flitskabel
  • 8.3 Met een transmitter
  • 8.4 Met de draadloze flitsbesturing
  • 8.5 Op welke wijze?

  • 9. WITBALANS

  • 9.1 Witbalans en kleurtemperatuur
  • 9.2 De instelling van de witbalans bij gemengd licht
  • 9.3 De instelling van de witbalans bij kunstlicht
  • 9.4 Oranje en groene kleurfilters

  • 10. PROBLEMEN EN OPLOSSINGEN

  • 10.1 Het flitslicht heeft het onderwerp onderbelicht
  • 10.2 Het flitslicht heeft het onderwerp overbelicht
  • 10.3 De indicator van de flitsafstand is niet zichtbaar op het LCD scherm
  • 10.4 Het flitslicht reflecteert in ramen of brillenglazen
  • 10.5 Het model heeft rode ogen
  • 10.6 Er is geen lichtspoor van bewegingsonscherpte zichtbaar
  • 10.7 De autofocus werkt niet
  • 10.8 De communicatie tussen camera en flitser is verstoord
  • 10.9 Overig